Opsporing: Bronnen en methoden

Laatst bijgewerkt: 15 okt 2018.

De politiestatistiek

De Politiestatistiek, gestart in 1948, beoogt inzicht te geven in de omvang, aard en ontwikkeling van de geregistreerde criminaliteit en de inspanning van de politie ter bestrijding hiervan. Tot en met het verslagjaar 2007 gebruikte het CBS gegevens die rechtstreeks en decentraal werden onttrokken aan de basisprocessensystemen van de 25 regiokorpsen, het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) en de Koninklijke Marechaussee (KMar). Met terugwerkende kracht tot het verslagjaar 2005 werden de gegevens tot 2011 uit de basisprocessensystemen centraal geleverd via de landelijke politiedatabank ‘Geïntegreerde Interactieve Databank voor Strategische bedrijfsinformatie’ (GIDS). De gegevens over 2012 tot en met 2014 worden sinds 2015 geleverd via ‘Basisvoorziening Informatie’ (BVI). Sinds 2017 zijn de gegevens ook over de verslagjaren 2010 tot en met 2016 geleverd via BVI. De gegevens worden geleverd volgens de definities en de telwijze van BVI. Alleen de KMar levert haar informatie nog rechtstreeks aan het CBS.

Wijze van aanleveren

Het Politiedienstcentrum verstrekt gegevens uit de registraties van de tien regionale eenheden en de Landelijke Eenheid via de landelijke politiedatabank BVI. In de periode tussen juni 2008 en december 2009 zijn alle eenheden overgegaan op het systeem Basisvoorziening Handhaving (BVH), waaraan de gegevens voor GIDS en BVI worden onttrokken. Voorheen waren de gegevens afkomstig uit de basisprocessensystemen BPS, Xpol en Genesys. Het BPS-systeem werd in 19 regiokorpsen gebruikt, het Xpol-systeem in vijf korpsen. Het regiokorps Haaglanden gebruikte het registratiesysteem Genesys.

De KMar gebruikt nog steeds het registratiesysteem BPS en levert CBS per kwartaal een bestand met daarin gegevens van alle in BPS gemelde incidenten (misdrijven en overige incidenten).

Voordelen nieuwe wijze van aanleveren

De levering van gegevens uit GIDS en BVI kent een aantal voordelen:

  • De uitkomsten zijn vollediger en op regioniveau beter vergelijkbaar, omdat bijna alle berichtgevers de informatie nu op dezelfde wijze en op hetzelfde tijdstip leveren.
  • Dubbeltellingen worden voorkomen. Misdrijven die ter kennis komen in regio A, maar gepleegd zijn in een andere regio, worden in beide regio’s geregistreerd. Voorheen leidde dit tot dubbeltellingen. Binnen GIDS en BVI is dit probleem opgelost en wordt het misdrijf geteld in de regio van plegen.
  • Door de telwijze van GIDS en BVI over te nemen, zijn de CBS- en politiecijfers van de geregistreerde misdrijven nu onderling vergelijkbaar. Strafbare feiten waarvan geen aangifte was gedaan, maar die wel een verdachte en/of slachtoffer kenden, telde CBS voorheen niet mee als geregistreerd misdrijf. Binnen GIDS en BVI worden deze feiten echter wel als misdrijf geregistreerd.
  • De indeling van misdrijven in hoofd- en subcategorieën is aangepast, verbeterd en uitgebreid doordat van alle regio’s gegevens per feitcode worden ontvangen.

Wijze van tellen

In het onderzoek tellen de volgende gegevens mee:

  • Regionale eenheden en de Landelijke Eenheid: alle misdrijven volgens de definitie van GIDS/BVI met een incidentcode/maatschappelijke klasseaanduiding die voorkomt in de ‘Standaardclassificatie misdrijven (Politie) 2010’ (SCM2010) van het CBS; plus alle incidenten volgens GIDS/BVI (misdrijven en overige incidenten) met de incidentcode/maatschappelijke klasseaanduiding ‘Verlaten plaats ongeval’ of ‘Rijden onder invloed’. Misdrijven die gemeld zijn in een regio maar gepleegd zijn in een andere regio, worden overgedragen aan de regio van plegen en zodoende in beide regio’s geregistreerd. Als misdrijven zijn overgedragen aan een andere regio wordt alleen de registratie in de regio van plegen wordt in het onderzoek meegenomen. Misdrijven waarvan de gemeente van plegen onbekend is, worden toegedeeld aan de regio van melden en krijgen de indicatie ‘gemeente van plegen onbekend’.
  • Regiokorps Haaglanden: regiokorps Haaglanden heeft tot de invoering van BVH eind 2009 de gegevens ten behoeve van het CBS ontleend aan Genesys met behulp van het programma ‘CBS Tellen’. Dit programma produceerde geaggregeerde gegevens per gemeente, die ongewijzigd werden meegeteld. Inmiddels zijn van Haaglanden gegevens over de periode 2005-2009 ontvangen en verwerkt die beter aansluiten bij de gehanteerde meetwaarde.
  • KMar (BPS): alle registraties met ten minste één incident dat voorkomt in de SCM2010, waarbij het veld ‘aangifte’ de waarde ‘J’ heeft en bij de incidentcode is aangegeven dat een aangifte verplicht is, en de registraties waarbij het aantal verdachten groter is dan 0 en bij de incidentcode is aangegeven dat een aangifte niet verplicht is, en alle registraties met de incidentcode/maatschappelijke klasse ‘Doorrijden na ongeval’ of ‘Verlaten plaats ongeval’ en ‘Rijden onder invloed’.

Trendbreuk

  • De nieuwe wijze van tellen (aanpassing van de CBS-telwijze aan GIDS/BVI) geeft een trendbreuk in de cijferreeksen. Globaal bezien ligt het niveau van de geregistreerde misdrijven binnen GIDS/BVI iets hoger. De trend in de ontwikkeling van de geregistreerde criminaliteit blijft echter nagenoeg gelijk. Omdat het repareren van de geconstateerde trendbreuk veel inspanning en tijd kost, is besloten om te starten met een nieuwe reeks over de geregistreerde misdrijven, vanaf 2005. Met behulp van statistische technieken zijn door CBS de methodebreuken onderzocht, geschat en vervolgens zijn hiermee gerepareerde reeksen gemaakt. Het resultaat is gepubliceerd in StatLine, de statistische databank van het CBS. Met de overgang van GIDS naar BVI is geen verschil ontstaan in de geregistreerde misdrijven. Het aantal geregistreerde verdachten wordt wel op een andere manier geteld waardoor van 2009 op 2010 een lichte trendbreuk optreedt. GIDS telde alleen verdachten die gekoppeld waren aan het hoofdincident van een registratie. BVI levert alle verdachten aan die aan incidenten zitten die een misdrijf zijn.
  • Misdrijven die gemeld zijn in regionale eenheid ‘A’, maar gepleegd zijn in regionale eenheid ‘B’, worden overgedragen aan regio ‘B’ en zodoende in beide regio’s geregistreerd. Voor de verslagjaren 2005 t/m 2009 werd de registratie in regio ‘A’ altijd verwijderd. Voor de verslagjaren na 2009 is het door nieuwe gedetailleerde data mogelijk te controleren of de registratie voorkomt in regio ‘B’ alvorens de registratie te verwijderen in regio ‘A’.

    Dit levert een trendbreuk op van 2009 ten opzichte van 2010 en voor de jaren 2005 t/m 2009 een lichte onderschatting van het werkelijke aantal geregistreerde misdrijven.

  • Sinds halverwege 2015 is het mogelijk om alle misdrijven die gemeld worden bij het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting (LMIO) mee te tellen in de categorie vermogensmisdrijven. Het gaat in 2015 om 25.000 misdrijven (fraude met online handel). In 2016 42.000 misdrijven en in 2017 37.000 misdrijven. In voorgaande jaren werden alleen opgehelderde misdrijven van het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting opgenomen in de BVI-cijfers. Hierdoor is er van 2014 op 2015 sprake van een trendbreuk in de categorie vermogensmisdrijven en daarmee ook in het totaal van de geregistreerde misdrijven.
  • Het ophelderingspercentage werd tot en met de voorgaande editie van C&R 2014 berekend door van alle geregistreerde misdrijven die gemeld werden in het verslagjaar, het deel van die misdrijven te tellen dat werd opgehelderd (de zogenoemde cohortmethode). Omdat opsporing tijd kost, komt het voor dat een misdrijf pas in een later verslagjaar wordt opgelost. Het voorlopige ophelderingspercentage is hierdoor moeilijk te vergelijken met het definitieve ophelderingspercentage, aangezien de misdrijven bij het definitieve ophelderingspercentage langer de tijd hebben gehad om opgehelderd te raken. Voor de verslagjaren vanaf verslagjaar 2012 is ervoor gekozen alle misdrijven die in het verslagjaar zijn opgehelderd, te delen door het aantal geregistreerde misdrijven in datzelfde jaar. Deze zogeheten saldobenadering komt overeen met de methode die de politie hanteert. Voor de verslagjaren 2005 tot en met 2011 was deze rekenwijze nog niet mogelijk en is de cohortmethode aangehouden. Dit levert nagenoeg geen trendbreuk omdat het ophelderingspercentage na twee jaar nauwelijks meer toeneemt door opheldering van ‘oude misdrijven’.
  • Tot en met verslagjaar 2009 wijkt de wijze van registreren van de misdrijven ‘Verlaten plaats ongeval’ en ‘Rijden onder invloed’ af van de registratie van de overige misdrijven. De misdrijven ‘doorrijden na ongeval’ en ‘rijden onder invloed’ werden voorheen door een beperking van het registratiesysteem integraal toegevoegd aan het aantal misdrijven. Sinds de data via BVI geleverd wordt is het mogelijk om net als voor alle andere misdrijven alleen de zwaarste misdrijven per incident te tellen. Deze methodebreuk zorgt ervoor dat de ontwikkeling van verkeersmisdrijven van 2009 op 2010 een trendbreuk vertonen.

Wat is de kwaliteit van de uitkomsten?

De voorlopige uitkomsten over 2016 en 2017 zijn gebaseerd op de gegevens die zijn verzameld tot en met januari 2018. Op dat moment zijn vrijwel alle gemelde incidenten verwerkt. Ten aanzien van de publicatie gelden de volgende bijzonderheden:

  • Het regiokorps Haaglanden is eind 2009 overgegaan op registratie in BVH. Het regiokorps heeft in verband daarmee de gegevens van het vierde kwartaal 2009 geschat.
  • De wijze van registreren van de misdrijven ‘Verlaten plaats ongeval’ en ‘Rijden onder invloed’ wijkt tot en met verslagjaar 2009 af van de registratie van de overige misdrijven.
  • In de regio Rotterdam-Rijnmond is het aantal geregistreerde vernielingen in 2010 relatief sterker gedaald ten opzichte van 2009 dan in andere regio’s. Voor heel Nederland daalt het aantal vernielingen met 16%, voor Rotterdam-Rijnmond met 49%. De daling van het aantal vernielingen in 2010 is het gevolg van twee beleidsinitiatieven in de Politieregio Rotterdam-Rijnmond:
    • Met de gemeenten binnen de regio Rotterdam-Rijnmond zijn voor 2010 nadere afspraken gemaakt over het aangeven van vernielingen in het publieke domein. Hierdoor nam het aantal geclusterde aangiften van beschadigingen in het publieke domein toe. Als gevolg hiervan daalde vooral in de gemeenten Spijkenisse en Brielle het aantal geregistreerde vernielingen.
    • Uit analyse van internetaangiften van vernieling (in totaal 7.900) bleek dat het in 6.700 gevallen ging om baldadigheid. Omdat baldadigheid een overtreding en geen misdrijf is, zijn deze gevallen uit de registratie van aangegeven misdrijven gelaten. Dit is in 2010 gedaan om de opsporingscapaciteit zo efficiënt mogelijk te benutten en te richten op de juiste zaken. Hierdoor daalde ook het aantal geregistreerde vernielingen. In 2011 is overigens volgens landelijk beleid baldadigheid weer geregistreerd onder vernieling.

De totale daling van het aantal geregistreerde vernielingen in regio Rotterdam-Rijnmond in 2010 was 49%. Het geschatte aandeel hierin als gevolg van de afspraken met het bestuur is 10%. De overige 39% is het gevolg van het onder punt 2 vermelde beleidsinitiatief.

Toekomstige verbeteringen

Binnen BVI worden nog verbeteringen aangebracht. De gepresenteerde cijfers over 2016 en 2017 zijn daarom voorlopig.

Samenwerkende partijen