Criminaliteit en slachtofferschap: Bronnen en methoden

Laatst bijgewerkt: 15 oktober 2018.

De slachtofferenquêtes

Er worden veel delicten gepleegd die niet in de officiële registraties worden opgenomen: het slachtoffer heeft besloten om geen aangifte te doen, de politie kan alleen maar een waarschuwing hebben gegeven, of het incident komt nooit aan het licht. Om een beter beeld te krijgen van alle delicten, dus ook van het hierboven bedoelde ‘dark number’, kan aan een steekproef uit de bevolking of uit het bedrijfsleven worden gevraagd naar slachtofferschap van criminaliteit. Ook onveiligheidsgevoelens en andere aspecten in verband met criminaliteit kunnen via enquêtes in kaart worden gebracht.

De eerste slachtofferenquête onder de bevolking in Nederland werd in 1973 gehouden (Fiselier, 1978). In de periode 1973-1979 werd deze jaarlijks door het WODC uitgevoerd (Van Dijk & Steinmetz, 1979). Sinds 1980 heeft het CBS – tot 1985 in overleg met het WODC – dergelijke enquêtes regelmatig gehouden: in de periode 1981-1985 gebeurde dit jaarlijks, na 1985 telkens in de oneven jaren, via de Enquête Slachtoffers Misdrijven (ESM). Met ingang van 1992 is de Enquête Rechtsbescherming en Veiligheid (ERV) de opvolger van de ESM. Deze continue enquête is in 1997 als module Recht opgenomen in het Permanent Onderzoek Leefsituatie (POLS), een continu CBS-onderzoek naar verschillende aspecten van de leefsituatie van de Nederlandse bevolking. Vanaf 2005 is deze module Recht binnen POLS vervallen. De belangrijkste onderwerpen zijn vanaf 2005 geïntegreerd in de Veiligheidsmonitor Rijk (VMR), die sinds eind 2008 is overgegaan in de Integrale Veiligheidsmonitor (IVM, 2012; zie hieronder), en die vervolgens in 2012 is opgevolgd door de Veiligheidsmonitor (VM, 2013, 2014, 2015, 2016, 2017; zie ook hieronder).

Sinds 1993 is in opdracht van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) de Politiemonitor Bevolking (PMB) uitgevoerd. Tot en met 2001 was de PMB een tweejaarlijks onderzoek. Van 2002 tot en met 2005 is de PMB jaarlijks uitgevoerd. Ook de PMB is vanaf 2005 geïntegreerd in de VMR.

Vanaf 2005 zijn de belangrijkste onderwerpen uit de POLS-module Recht en uit de PMB, samen met elementen uit de Enquête Leefbaarheid en Veiligheid (ELV; een periodiek onderzoek naar de omstandigheden van leefbaarheid en veiligheid in de G31-gemeenten), geïntegreerd in één grote jaarlijkse enquête, de Veiligheidsmonitor Rijk (VMR). Deze VMR werd vanaf 2005 op landelijke en vanaf 2006 tot en met 2008 ook op regionale schaal uitgevoerd. De opvolger hiervan, de Integrale Veiligheidsmonitor (IVM, 2012), levert naast landelijke en regionale informatie ook inzicht op subregionaal niveau. Met ingang van het kalenderjaar 2012 zijn aanpassingen in de vraagstellingen en wijzigingen in de onderzoeksopzet doorgevoerd. Deze doorontwikkeling van de IVM is gemarkeerd met een naamswijziging: de Veiligheidsmonitor (VM).

Voor internationale vergelijking wordt sinds 1989 om de 3 à 4 jaar een slachtofferenquête uitgevoerd in diverse landen in en buiten Europa, de International Crime Victims Survey (ICVS) (zie Internationaal perspectief: Bronnen en methoden).

Kenmerken van slachtofferenquêtes

Slachtofferenquêtes vormen een eigen en onafhankelijke bron van gegevens over veelvoorkomende criminaliteit. De slachtofferenquêtes zijn opgezet met als doel inzicht te krijgen in de totale omvang van de criminaliteit, vooral in die criminaliteit die niet in de officiële registraties wordt opgenomen, via een waarnemingsmethode die onafhankelijk is van de politieregistratie. De gegevens uit de slachtofferenquêtes hebben betrekking op het begin van de strafrechtsketen. Elk delict waarvan iemand slachtoffer wordt, kan in principe worden aangegeven bij de politie, en kan daarmee in theorie bijdragen aan opsporing en aanhouding van mogelijke verdachten.

Als men de landelijke slachtofferenquêtes onder de bevolking als een opeenvolgend geheel in de tijd ziet, zijn er zes momenten aan te wijzen waarop sprake kan zijn van een duidelijke trendbreuk. De eerste trendbreuk ligt in 1980, bij de overgang van de WODC-slachtofferenquête naar de ESM; de tweede ligt in 1993, toen de ESM overging in de ERV. Het derde breukmoment valt in 1997, toen de ERV opgenomen werd in het POLS. Het vierde moment ligt in 2005-2006, bij de overgang van de POLS-module Recht (en de daarnaast afzonderlijk bestaande gegevensreeks van de PMB) naar de VMR. De vijfde trendbreuk betreft de overgang van de VMR naar de IVM in 2008. De herziening van de opzet en de vraagstelling van de IVM in 2012 vormt het zesde breukmoment (maar valt buiten de reikwijdte van deze publicatie). Deze overgangen zijn gepaard gegaan met grotere of minder grote wijzigingen in onderzoeksdesign, vraagstelling, frequentie en/of periodiciteit. Om inzicht te krijgen in de effecten van dergelijke wijzigingen zijn bij enkele overgangen zowel de ‘oude’ als de nieuwe enquêtes tegelijk (‘parallel’) uitgevoerd. Dit is onder meer het geval bij de overgang van de ESM naar de ERV, van de VMR naar de IVM, en van de IVM naar de VM.

Beperkingen van slachtofferenquêtes

In de slachtofferenquêtes zijn de definities van een ‘delict’ niet gelijk aan de strafrechtelijke definities, zoals die in de Politiestatistiek en de justitiële statistieken worden gehanteerd. De betrouwbaarheid van de bevindingen is afhankelijk van (onder andere) het aantal respondenten en het aantal aangetroffen delicten in de steekproef. Ook het (beperkte) geheugen van de geënquêteerden kan de resultaten beïnvloeden, doordat respondenten zich bepaalde gebeurtenissen niet meer juist herinneren of verkeerd in de tijd plaatsen (‘telescoping’). Verder wordt alleen over delicten met aanwijsbare slachtoffers gerapporteerd. Gegevens over slachtofferloze delicten (zoals heling en drugshandel) komen niet voor. Zeer zware vormen van geweld, zoals moord, komen per definitie evenmin voor.

Verschillende slachtofferenquêtes laten vaak verschillende resultaten in hoogte en ontwikkeling van slachtofferpercentages en andere cijfers zien. Deze verschillen vloeien vooral voort uit verschillen in vraagstelling, in steekproefkader en in verslagperiode. Ook de wijze van enquêteren kan een rol spelen, zelfs binnen eenzelfde survey.

Zo zijn de meeste delicten in de CBS-enquêtes vanaf 1992 in de VMR en in de IVM in het algemeen strikter gedefinieerd dan in de PMB en de eerdere CBS- en WODC-enquêtes. Slachtofferschap heeft in de ESM betrekking op twaalf maanden in het voorgaande kalenderjaar, in de CBS-enquêtes vanaf 1992 (POLS en ERV) is dit twaalf maanden voor de interviewdatum (dus ‘gemiddeld’ zes maanden in het huidige en zes maanden in het voorgaande kalenderjaar). Ook de referentieperiode in de PMB en in de VMR is twaalf maanden vóór de interviewdatum, maar dit komt bij benadering overeen met het voorgaande kalenderjaar. In de IVM, die jaarlijks in het vierde kwartaal wordt uitgevoerd, en de VM, die in de periode augustus-november wordt uitgevoerd, valt deze referentieperiode voor het grootste deel samen met het lopende kalenderjaar.

Slachtofferschappen worden in deze rapportage toegedeeld aan het kalenderjaar waarin het zwaartepunt van de onderzochte verslagperiode valt. Voor de ERV en POLS wordt voor de verslagperiode het betreffende onderzoeksjaar aangehouden, evenals voor de IVM. Gegevens voor ontbrekende jaren zijn in een aantal gevallen geïnterpoleerd.

De respondenten voor de ESM tot en met 1984 werden getrokken uit gemeentelijke personenregisters (voor enkele gemeenten werd uit een adressenregister getrokken), voor de ERV vormde een postafgiftepuntenbestand het steekproefkader en voor POLS werden steekproeven getrokken uit persoonsregisters (GBA: Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens[1]). Voor de PMB werd getrokken uit een telefoonregister, terwijl voor de ICVS willekeurige telefoonnummers worden gegenereerd (met een regionale stratificatie). De steekproeven voor de VMR, IVM en VM werden en worden getrokken uit een personenregister (de GBA), waarbij zo nodig uit telefoonregisters bijbehorende telefoonnummers worden gezocht.

De interviews voor de ESM, de ERV en POLS werden persoonlijk bij de respondenten thuis gehouden, terwijl de PMB-respondenten telefonisch werden geïnterviewd. De VMR-interviews werden voor zover mogelijk telefonisch afgenomen, maar indien dit niet mogelijk was, volgde een persoonlijk interview. In de IVM zijn vier verschillende interviewmodes gehanteerd: internet, telefonisch, persoonlijk en schriftelijk. In de VM wordt gebruikgemaakt van twee interviewmodes: internet en schriftelijk.

[1] Tegenwoordig is dit de basisregistratie personen (BRP).

CBS-slachtofferenquêtes (1980-2004)

Informatiegebied

De bevolking van Nederland van vijftien jaar en ouder in particuliere huishoudens vormt de doelpopulatie van de slachtofferenquête. In alle CBS-slachtofferenquêtes wordt van verschillende soorten delicten en delictgroepen vastgesteld hoeveel personen daarvan slachtoffer zijn geworden in het voorgaande kalenderjaar (ESM) of in de twaalf voorgaande maanden (ERV, POLS), hoeveel van deze voorvallen bij de politie zijn gemeld en bij hoeveel een document (pv) is ondertekend. Bij de ERV en het POLS wordt verder nog geschat hoeveel delicten in Nederland hebben plaatsgevonden. Verder worden vragen gesteld over gevoelens van onveiligheid in verband met criminaliteit en over preventiemaatregelen tegen criminaliteit. De ESM onderscheidt handtastelijkheden binnen en buiten, exhibitionisme, bedreigingen binnen en buiten, inbraak, (brom)fiets-/autodiefstal, diefstal uit of vanaf auto, zakkenrollerij, overige diefstal (niet eerder genoemd), beschadiging van auto, overige vernielingen (niet eerder genoemd) en doorrijden na aanrijding.

ERV en POLS onderscheiden geweldsdelicten, zoals seksuele delicten (in de ERV alleen aan vrouwen gevraagd), mishandeling, bedreiging; vermogensdelicten, zoals inbraak, fietsdiefstal, autodiefstal, diefstal uit auto, zakkenrollerij en overige diefstal; vandalisme, zoals diefstal vanaf/beschadiging aan auto, overige vernielingen; doorrijden na ongeval; kwaadwillige telefoontjes (worden niet als delict geteld); overige delicten (worden niet verder geanalyseerd).

Kenmerken van respondenten en/of het huishouden zijn in alle CBS-enquêtes: leeftijd, geslacht, burgerlijke staat, huishoudensamenstelling, opleidingsniveau, inkomen, tijdsbesteding en dergelijke. Het belangrijkste geografische kenmerk is de urbanisatiegraad of de stedelijkheid van de woongemeente.

De CBS-slachtofferenquêtes zijn gebaseerd op een steekproef. De in de jaren 1981 en 1982 uitgevoerde ESM bestond hoofdzakelijk uit een personensteekproef, die voor enkele gemeenten werd aangevuld met een adressensteekproef. Vanaf 1983 is voor de ESM, en voor de ERV, het steekproefkader gebaseerd op het postafgiftepuntenbestand van de PTT. Per huishouden werd in de ESM slechts één persoon ondervraagd. Anders dan in de ESM werden in de ERV per huishouden, indien aanwezig, twee personen van 15 jaar en ouder geïnterviewd. De POLS steekproeven ten slotte zijn personensteekproeven die werden getrokken uit de GBA. In de ESM zijn steeds 5.000 à 10.000 personen ondervraagd. De ERV bevatte jaarlijks 5.000 respondenten uit circa 3.000 adressen. In het POLS werden jaarlijks circa 50.000 personen voor het gehele onderzoek ondervraagd, van wie 10.000 voor de module Recht (waaronder Slachtofferschap). Vragen over onveiligheidsgevoelens werden aan circa 5.000 respondenten gesteld. Er werd per soort enquête herwogen naar achtergrondvariabelen als leeftijd, geslacht en mate van verstedelijking. Alle enquêtes werden mondeling (face-to-face) afgenomen bij persoonlijk bezoek door een enquêteur.

Periodiciteit van de dataverzameling

De ESM is uitgevoerd in elk van de jaren 1981-1985, en sindsdien tot en met 1993 alleen in de oneven jaren. De ERV is uitgevoerd in elk van de jaren 1992-1996; het POLS werd eveneens jaarlijks uitgevoerd van 1997-2004.

Beperkingen

Door verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en vraagstelling zijn de resultaten van de CBS-enquêtes niet zonder meer vergelijkbaar met andere slachtofferenquêtes, zoals de PMB en de ICVS. Ook de onderlinge vergelijkbaarheid tussen ESM en ERV is beperkt. De vergelijkbaarheid tussen de ERV en het POLS is beter, omdat de vraagstelling nauwelijks is gewijzigd.

Eigendom en beheer

De slachtofferenquêtes worden zelfstandig uitgevoerd door CBS. Bestanden voor gebruik door derden worden beheerd door DANS (Data Archiving and Networked Services; voorheen Wetenschappelijk Statistisch Agentschap (WSA)) en zijn (tegen betaling) voor derden beschikbaar. De bestanden zijn niet herleidbaar tot personen. Daarom zijn er geen speciale privacyreglementen van toepassing.

Politiemonitor Bevolking (1993-2005)

De PMB is een landelijk bevolkingsonderzoek naar criminaliteit, onveiligheid, preventiegedrag van burgers en de ervaringen van burgers met de politie. In 2004 zijn vragen over verschillende aspecten van veiligheid en het functioneren van de politie aan bijna 50.000 Nederlanders voorgelegd.

Deze informatie dient deels als aanvulling op geregistreerde gegevens over criminaliteit, vooral ten behoeve van het beleid op regionaal (politieregio’s) en landelijk niveau, en daarnaast ten behoeve van andere lokale relevante beleidseenheden. Net als de andere slachtofferenquêtes gaan de verzamelde gegevens over criminaliteit aan het begin van de strafrechtsketen. De doelpopulatie van de PMB is de bevolking van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens van Nederland, van de afzonderlijke politieregio’s en van eventuele andere onderscheiden administratieve eenheden.

Informatiegebied

Ook de PMB heeft betrekking op aantallen slachtoffers, het wel of geen (ondertekende) aangifte doen, de reden van eventuele aangifte, en eventuele geleden schade; voorts op het oordeel over het optreden van de politie, redenen van eventuele ontevredenheid, en preventieadviezen en informatie over slachtofferhulp. Daarnaast worden vragen gesteld over problemen in de buurt met betrekking tot diverse vermogensdelicten, verkeersoverlast, dreiging en verloedering, gevoelens van onveiligheid in verband met criminaliteit, preventiemaatregelen tegen inbraak, andere contacten van burgers met de politie en de tevredenheid hierover, en beschikbaarheid, zichtbaarheid, functioneren en optreden van de politie in de eigen buurt.

De zogenoemde objectgebonden delicten zijn die delicten die de woning of een voertuig als object hebben: (poging tot) inbraak (woning als object), fietsdiefstal, autodelicten, diefstal uit/vanaf de auto en vernieling aan de auto. Persoonsgebonden delicten zijn: verkeersdelicten (aanrijding met doorrijden); geweldsdelicten, zoals bedreiging, mishandeling, portemonneediefstal met geweld; en overige delicten, zoals portemonneediefstal zonder geweld, overige diefstal, overige vernieling en andere delicten. De achtergrondkenmerken zijn beperkt; standaard worden alleen landelijke en regionale gegevens gepresenteerd.

Periodiciteit van de dataverzameling

In elk van de 25 politieregio’s werden ten minste 1.000 personen telefonisch ondervraagd. Het onderzoek is na een beperkt onderzoek in 1990 (in 25 Nederlandse gemeenten) tussen 1993 en 2001 tweejaarlijks en daarna tot en met 2005 jaarlijks uitgevoerd. De politieregio’s hadden de mogelijkheid om extra respondenten te laten ondervragen via de zogenoemde ‘opstapmethode’. Gevraagd werd naar de ervaringen van de respondenten in de twaalf maanden voorafgaand aan de interviewdatum. De (telefonische) interviews zijn geconcentreerd in de maanden januari t/m maart.

Beperkingen

De vergelijkbaarheid met andere slachtofferenquêtes wordt beperkt door verschillen in (onder andere) het steekproefkader (telefoonregister versus personen- versus adressensteekproef), de herweging, de methode van dataverzameling (telefonisch versus persoonlijk), de vraagstelling en -volgorde van (onder andere) delicten, en de presentatie van resultaten (percenteringsbasis, (sub)totaalcijfers voor groepen van delicten).

Eigendom en beheer

Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van de toenmalige ministeries van BZK en Justitie en een groot aantal politiekorpsen en was primair gericht op de afzonderlijke politieregio’s. De politieregio’s hadden de mogelijkheid om extra respondenten te laten ondervragen via de zogenoemde ‘opstapmethode’. De belangrijkste resultaten van de PMB werden gepresenteerd in twee rapporten: een landelijk rapport met de belangrijkste resultaten, en een tabellenrapport.

De Veiligheidsmonitor Rijk (2005-2008)

Informatiegebied

De bevolking van Nederland van vijftien jaar en ouder in particuliere huishoudens vormde de doelpopulatie van de Veiligheidsmonitor Rijk. Van verschillende soorten delicten en delictgroepen werd vastgesteld hoeveel personen daarvan slachtoffer zijn geworden in de twaalf voorgaande maanden, in hoeverre deze voorvallen bij de politie werden gemeld, en of daarbij een document (zoals een procesverbaal) is ondertekend. Er werd een schatting gemaakt van het aantal delicten dat de inwoners in Nederland hebben ondervonden. Verder werden vragen gesteld over gevoelens van onveiligheid in verband met criminaliteit, over preventiemaatregelen tegen criminaliteit, over buurtproblemen, over algemene contacten tussen burgers en politie, en over het oordeel over de politie in de woonbuurt.

In de VMR werden de volgende delicten onderscheiden: geweldsdelicten (seksuele delicten, mishandeling, bedreiging); vermogensdelicten, zoals inbraak of een poging daartoe, fietsdiefstal, autodiefstal, diefstal uit auto, zakkenrollerij met of zonder geweld en overige diefstal; vandalisme (beschadiging/diefstal vanaf auto en overige vernielingen); doorrijden na ongeval en overige delicten.

Kenmerken van respondenten of hun huishouden (zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, burgerlijke staat, huishoudensamenstelling, inkomen) werden zo veel mogelijk verkregen via koppeling met (geanonimiseerde) registerdata die bij het CBS via het Sociaal Statistisch Bestand (SSB) beschikbaar zijn. Ook geografische achtergrondkenmerken (zoals stedelijkheid van de woonomgeving en van de woongemeente) werden via een dergelijke koppeling verkregen. Hierdoor kon de (beperkte) beschikbare interviewtijd maximaal worden benut voor relevante onderwerpgerichte vragen, en ontstonden uitgebreide mogelijkheden tot nadere analyse.

De VMR is gebaseerd op een personensteekproef, die werd getrokken uit de GBA. Jaarlijks werden voor het hoofdonderzoek in het eerste kwartaal per politieregio netto ten minste 750 respondenten ondervraagd, wat resulteert in ten minste 18.750 respondenten.[1] De enquêtes werden in principe telefonisch afgenomen, maar wanneer op het woonadres van de respondent geen telefoonaansluiting beschikbaar was, volgde een mondeling (face-to-face) interview met een bezoek door een enquêteur.

Periodiciteit van de dataverzameling

De VMR is in de jaren 2005-2008 jaarlijks uitgevoerd. Met het oog op de vergelijkbaarheid is de VMR in de jaren 2008-2010 ook op beperkte schaal (alleen landelijk niveau) in het vierde kwartaal uitgevoerd, tegelijk met de IVM.

Beperkingen

Door verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en vraagstelling zijn de resultaten niet zonder meer vergelijkbaar met eerdere en andere slachtofferenquêtes (PMB, POLS, ELV) en met de ICVS. Daarnaast kan er sprake zijn van steekproeffouten, meetfouten en non-responsfouten.

Eigendom en beheer

Opdrachtgevers voor de VMR waren de toenmalige ministeries van Justitie en BZK en het CBS, die daartoe een samenwerkingsovereenkomst zijn aangegaan. Het onderzoek werd uitgevoerd door het CBS. Bestanden zijn in principe voor gebruik door de opdrachtgevers; gebruik door derden is na enige tijd mogelijk via DANS (voorheen WSA). Ook via het Centrum voor Beleidsstatistiek (CvB) van het CBS kunnen externe onderzoekers (onder strikte voorwaarden) onderzoek verrichten op microdata van het CBS. Daarnaast kunnen op aanvraag data beschikbaar worden gesteld (maatwerk).

De bestanden zijn niet herleidbaar tot personen. Daarom zijn er geen speciale privacyreglementen van toepassing.

[1] Dit geldt voor de standaard-VMR. Het additionele onderzoek, waarbij in de volgende kwartalen ten minste circa 1.000 respondenten per kwartaal worden ondervraagd, blijft hier verder buiten beschouwing. In 2005 is de VMR alleen op (beperkte) landelijke schaal uitgevoerd, met in totaal ruim 5.000 respondenten.

De Integrale Veiligheidsmonitor (2008-2011)

Informatiegebied

De doelpopulatie van de Integrale Veiligheidsmonitor bestaat uit de bevolking van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens in Nederland als geheel, in afzonderlijke regio’s of in afzonderlijke gemeenten of delen, of combinaties daarvan. De IVM bestaat uit een landelijke/regionale steekproef en lokale steekproeven, die tegelijkertijd worden uitgevoerd. De landelijke/regionale uitvoering is gericht op betrouwbare gegevens voor Nederland als geheel en voor de 25 afzonderlijke politieregio’s; de lokale onderzoeken zijn daarnaast gericht op het verkrijgen van (extra) informatie voor afzonderlijke politieregio’s of gemeenten, of onderdelen of combinaties daarvan.

De vragenlijst van de IVM is modulair opgebouwd, met verplichte en facultatieve vragenblokken. In het landelijke/regionale deel worden alle vragen opgenomen; op lokaal niveau kunnen facultatieve blokken desgewenst worden weggelaten. Ook kan lokaal een ‘vrij blok’ worden meegenomen.

Verplichte blokken in de IVM zijn: de leefbaarheid van de woonomgeving, buurtproblemen, onveiligheidsgevoelens in verband met criminaliteit, slachtofferschap van criminaliteit, en – indien nodig – achtergrondkenmerken. Vragen over aangifte bij de politie van het meest recente voorval zijn facultatief, evenals vragen over algemene contacten tussen burgers en politie, over het functioneren van de politie in de woonbuurt, over preventiemaatregelen tegen criminaliteit, en over respectloos gedrag en de inzet van de gemeente voor de leefbaarheid en veiligheid. Van verschillende soorten delicten en delictgroepen wordt vastgesteld hoeveel personen daarvan slachtoffer zijn geworden in de twaalf voorgaande maanden. Ook kan een schatting worden gemaakt van het aantal delicten dat de inwoners in Nederland hebben ondervonden. De volgende delicten worden onderscheiden: geweldsdelicten (seksuele delicten, mishandeling, bedreiging); vermogensdelicten, zoals inbraak of een poging daartoe, fietsdiefstal, autodiefstal, diefstal uit auto, zakkenrollerij met of zonder geweld en overige diefstal; vandalisme (beschadiging aan/diefstal vanaf auto en overige vernielingen); overige delicten.

Kenmerken van respondenten of hun huishouden (zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, burgerlijke staat, huishoudensamenstelling, inkomen) worden voor het landelijke/regionale deel zo veel mogelijk verkregen via koppeling met (geanonimiseerde) registerdata die bij het CBS via het SSB beschikbaar zijn. Ook geografische achtergrondkenmerken (zoals stedelijkheid van de woonomgeving en van de woongemeente) worden via een dergelijke koppeling verkregen. Hierdoor ontstaan niet alleen uitgebreide mogelijkheden tot nadere analyse, maar kan de beperkte beschikbare interviewtijd maximaal worden benut voor relevante onderwerpgerichte vragen. Achtergrondgegevens voor lokale enquêtes worden verkregen via additionele vragen en worden – indien nodig – aangevuld met gegevens uit het SSB.

De IVM is gebaseerd op personensteekproeven, die zowel voor het landelijke/regionale deel als voor de lokale enquêtes door het CBS worden getrokken uit de GBA. Jaarlijks worden voor het landelijke/regionale deel in het vierde kwartaal per politieregio netto ten minste 750 respondenten ondervraagd, wat resulteert in ten minste 18.750 respondenten.[1] Het aantal respondenten voor de lokale onderzoeken varieert per jaar.[2]

In de IVM worden vier verschillende interviewmodes gehanteerd. De benaderde persoon wordt allereerst verzocht om de vragenlijst via internet te beantwoorden (CAWI). De steekproefpersonen kunnen ook een schriftelijke vragenlijst opvragen en invullen (PAPI). Steekproefpersonen die niet reageren, worden telefonisch herbenaderd (CATI) als het telefoonnummer bij CBS (of bij de lokale uitvoerenden) bekend is. Als dat niet bekend is of als telefonische benadering niet lukt, worden die personen alsnog persoonlijk benaderd (CAPI). In het landelijke/regionale deel worden alle interviewmodes gebruikt; in de lokale onderzoeken zijn de (relatief dure) mondelinge interviews met een bezoek door een enquêteur niet verplicht. Deze waarnemingsmethode wordt daarom lokaal slechts op beperkte schaal toegepast.

Periodiciteit van de dataverzameling

De IVM is in deze opzet vanaf 2008 tot en met 2011 jaarlijks in het najaar uitgevoerd. Vanaf het kalenderjaar 2012 zijn de opzet en de vraagstelling van de IVM ingrijpend herzien (de beschrijving hiervan valt buiten het kader van de huidige publicatie).

Beperkingen

Door verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en vraagstelling zijn de resultaten niet zonder meer vergelijkbaar met eerdere en andere slachtofferenquêtes (PMB, POLS, ELV, VMR) en met de ICVS. Daarnaast kan er sprake zijn van steekproeffouten, meetfouten en non-responsfouten.

Uit nadere analyses is gebleken dat de IVM-niveauschattingen over slachtofferschap en ondervonden delicten (waaronder autodelicten) voor verbetering vatbaar zijn. Daarom is de presentatie van alle IVM-cijfers over autodelicten voor alle jaren aangepast, is aan alle IVM-cijfers over de omvang van slachtofferschap en ondervonden delicten de status ‘voorlopig’ toegekend, en zijn de schattingen over absolute aantallen ondervonden delicten (voorlopig) vervallen. Op basis van de herziening vanaf 2012 kunnen eerdere niveauschattingen mogelijk alsnog worden aangepast.

Onderlinge vergelijking van relatieve IVM-cijfers naar plaats en tijd blijft wel mogelijk; het onderzoeksinstrument is in de periode 2008-2011 immers niet veranderd.

Eigendom en beheer

Opdrachtgevers voor de IVM zijn de ministeries van Veiligheid en Justitie en BZK en het CBS. Het CBS draagt zorg voor de landelijke uitvoering van de IVM; de uitvoering van de lokale enquêtes is ondergebracht bij de lokale statistische onderzoeksbureaus of bij externe veldwerkbureaus.

De standaardrapportages (door het CBS) zijn gebaseerd op alle (landelijke/regionale plus regionale) enquêtes samen. De lokale deelnemers krijgen hun eigen microdata (waaronder de gevraagde achtergrondkenmerken), aangevuld met de door het CBS verzamelde onderzoeksgegevens voor die regio/gemeente. Omdat alle indicatoren zijn gestandaardiseerd, kunnen lokale instanties daarmee hun eigen rapportages hierop afstemmen.

Bestanden zijn in principe voor gebruik door de opdrachtgevers. In opdracht van het bVm is een tool ontwikkeld waarmee voor lokale beleidsmakers gestandaardiseerde rapportages kunnen worden gegenereerd op basis van onderzoeksbestand(en) met outputgerelateerde programmasources die door het CBS via het CvB aan het bVm ter beschikking worden gesteld. Het gebruik van deze microdata vindt plaats conform de voorwaarden die hiervoor door het CvB worden gehanteerd.

Gebruik door derden is na enige tijd mogelijk via DANS (voorheen WSA). Ook via het CvB kunnen externe onderzoekers (onder strikte voorwaarden) onderzoek verrichten op microdata van het CBS. Daarnaast kunnen op aanvraag data beschikbaar worden gesteld (maatwerk).

De bestanden zijn niet direct herleidbaar tot personen. Daarom zijn er geen speciale privacyreglementen van toepassing.

[1] In het vierde kwartaal van 2008 bedroeg dit aantal netto 670 respondenten per politieregio. In totaal telde deze landelijke/regionale uitvoering bijna 17.000 respondenten.

[2] In de IVM 2008 participeerden zeven politieregio’s en (grotendeels in combinatie daarmee) rond tachtig gemeenten in de lokale uitvoering, met in totaal bijna 46.000 respondenten. In de IVM-2009 lagen deze aantallen met in totaal bijna 180.000 respondenten in 239 gemeenten verdeeld over 21 politieregio’s veel hoger. In 2010 ging het om 21 participerende gemeenten in zeven regio’s, met in totaal bijna 20.000 respondenten. In 2011, het laatste IVM-jaar met dit design, betrof het 225 gemeenten in 23 regio’s, met in totaal ruim 200.000 respondenten. 

De Veiligheidsmonitor (vanaf 2012)

Informatiegebied

De doelpopulatie van de Veiligheidsmonitor vormt de bevolking van 15 jaar en ouder in particuliere huishoudens in Nederland als geheel, in afzonderlijke regio’s of in afzonderlijke gemeenten of delen of combinaties daarvan. De VM bestaat uit een landelijke steekproef die voor een deel door het CBS en voor een deel door het externe onderzoeksbureau I&O Research is uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met jaarlijks wisselende lokale steekproeven die door I&O Research in opdracht van lokale en regionale overheden worden uitgevoerd. Het totaal aantal respondenten bedroeg 77.989 in 2012, 145.277 in 2013, 86.382 in 2014, 111.252 in 2015, 80.860 in 2016 en 149.461 in 2017. Het aantal respondenten hiervan dat behoorde tot de jaarlijks wisselende lokale steekproeven was 18.656 in 2012, 79.740 in 2013, 19.079 in 2014, 47.460 in 2015, 13.631 in 2016 en 80.187 in 2017.

De landelijke uitvoering was in 2012 gericht op betrouwbare gegevens voor Nederland als geheel en voor de 25 afzonderlijke politieregio’s. Naar aanleiding van de inrichting van de Nationale politie per 1 januari 2013 met een nieuwe regionale indeling in 10 Regionale eenheden, 43 Districten en 167 Basisteams is het steekproefontwerp van de VM in 2013 zodanig aangepast dat betrouwbare uitspraken op deze nieuwe regionale niveaus kunnen worden gedaan. Ook voor gemeenten met meer dan 70.000 inwoners zijn betrouwbare uitspraken mogelijk. De lokale uitvoering van de VM is gericht op het verkrijgen van (extra) informatie voor afzonderlijke regio’s van de politie of gemeenten, of onderdelen of combinaties daarvan.

De vragenlijst van de VM is modulair opgebouwd. De vragenblokken zijn: leefbaarheid van de woonbuurt, beleving overlast in de buurt, veiligheidsbeleving, slachtofferschap (inclusief cybercrime) en aangiftegedrag, politiecontacten, functioneren politie in buurt, functioneren politie in algemeen, functioneren gemeente, preventie, onveilige plekken, respectloos gedrag, en achtergrondkenmerken. Voor lokale deelnemers aan de Veiligheidsmonitor is aan het einde van de vragenlijst enige vrije ruimte beschikbaar voor eigen vragen.

Van verschillende soorten delicten en delictgroepen wordt vastgesteld hoeveel personen daarvan slachtoffer zijn geworden in de twaalf voorgaande maanden. Ook kan een schatting worden gemaakt van het aantal delicten dat de inwoners in Nederland hebben ondervonden. Deze schatting van het aantal delicten is in de loop van 2013 beschikbaar gekomen. De volgende delicten worden onderscheiden: geweldsdelicten (mishandeling, bedreiging, geweld met seksuele bedoelingen); vermogensdelicten, zoals inbraak of een poging daartoe, fietsdiefstal, autodiefstal, diefstal uit of vanaf de auto, diefstal van andere voertuigen, zakkenrollerij/beroving of een poging daartoe, en overige diefstal; vandalisme (vernielingen aan voertuigen en overige vernielingen, bijvoorbeeld aan huis of tuin). Daarnaast worden in de VM ook voor het eerst delicten op het gebied van computercriminaliteit of cybercrime onderzocht. Het gaat dan om identiteitsfraude, koop- en verkoopfraude, hacken, en pesten via het internet, ook wel cyberpesten genoemd.

Kenmerken van respondenten of hun huishouden (zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, burgerlijke staat, huishoudensamenstelling, inkomen) worden voor het landelijke/regionale deel zo veel mogelijk verkregen via koppeling met (geanonimiseerde) registerdata die bij het CBS via het SSB beschikbaar zijn. Ook geografische achtergrondkenmerken (zoals stedelijkheid van de woonomgeving en van de woongemeente) worden via een dergelijke koppeling verkregen. Hierdoor ontstaan niet alleen uitgebreide mogelijkheden voor nadere analyse, maar kan de beperkte beschikbare interviewtijd maximaal worden benut voor relevante onderwerpgerichte vragen. Achtergrondgegevens voor lokale enquêtes worden verkregen via additionele vragen en worden – indien nodig – aangevuld met gegevens uit het SSB.

De VM is gebaseerd op personensteekproeven, die zowel voor het landelijke deel als voor de lokale enquêtes door het CBS worden getrokken uit de Basisregistratie Personen.

In de VM worden twee verschillende interviewmodes gehanteerd, namelijk internet en papier. De benaderde persoon wordt allereerst per aanschrijfbrief verzocht om de vragenlijst via internet te beantwoorden. Twee weken na verzending van de aanschrijfbrief worden de non-respondenten gerappelleerd en wordt tevens een schriftelijke vragenlijst toegevoegd. Twee weken na de eerste rappelbrief wordt een tweede rappelbrief verzonden met het verzoek de vragenlijst alsnog via internet of op papier in te vullen. Anderhalve week na deze tweede brief volgt nog een telefonisch rappel onder personen van wie een telefoonnummer beschikbaar is. Verder heeft alleen het CBS nog een beperkt aantal non-respondenten, waarvan geen telefoonnummer beschikbaar was, na het tweede rappel aan huis bezocht. Dit gebeurde bij wijze van experiment alleen in 2012, waarbij van ruim 1.200 personen onderzoeksgegevens zijn verzameld.

Periodiciteit van de dataverzameling

De VM wordt in deze opzet vanaf 2012 jaarlijks in het najaar (periode augustus t/m november) uitgevoerd.

Beperkingen

Door verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en vraagstelling zijn de resultaten niet zonder meer vergelijkbaar met eerdere en andere slachtofferenquêtes (PMB, POLS, ELV, VMR, IVM) en met de ICVS. Daarnaast kan er sprake zijn van steekproeffouten, meetfouten en non-responsfouten.

Eigendom en beheer

Opdrachtgevers voor de VM zijn het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) en het CBS. Het CBS draagt zorg voor de landelijke uitvoering van de VM; de uitvoering van de lokale enquêtes is ondergebracht bij het externe onderzoeksbureau I&O Research. De eerstgenoemde opdrachtgevers hebben een Raad voor de Veiligheidsmonitor ingesteld, die in algemene zin toezicht uitoefent op de uitvoering van de VM. In deze raad zijn behalve de opdrachtgevers ook instanties vertegenwoordigd als de G4, de G32, Politie en WODC. De coördinatie en facilitering van de regionale en lokale onderzoeken gebeurt sinds 2016 door het CBS .

De standaardrapportages (door het CBS) zijn gebaseerd op alle (landelijke plus lokale) enquêtes samen. De lokale deelnemers krijgen hun eigen microdata (waaronder de gevraagde achtergrondkenmerken), aangevuld met de landelijk verzamelde onderzoeksgegevens voor die regio/gemeente. Omdat alle indicatoren zijn gestandaardiseerd, kunnen lokale instanties hier hun eigen rapportages op afstemmen.

Bestanden zijn in principe voor gebruik door de opdrachtgevers. Er is een tool ontwikkeld waarmee voor lokale beleidsmakers gestandaardiseerde rapportages kunnen worden gegenereerd op basis van onderzoeksbestand(en) met outputgerelateerde programmasources die door het CBS via het CvB ter beschikking worden gesteld. Het gebruik van deze microdata vindt plaats conform de voorwaarden die hiervoor door het CvB worden gehanteerd.

Gebruik door derden is na enige tijd mogelijk via DANS (voorheen WSA). Ook via het CvB kunnen externe onderzoekers (onder strikte voorwaarden) onderzoek verrichten op microdata van het CBS. Daarnaast kunnen op aanvraag data beschikbaar worden gesteld (maatwerk).

De bestanden zijn niet direct herleidbaar tot personen. Daarom zijn er geen speciale privacyreglementen van toepassing.

Methodebreuken VMR, IVM en VM

De verschillen in onderzoeksdesign, waarnemingsmethode en vraagstellingen tussen VMR, IVM en VM hebben tot gevolg dat er systematische effecten optreden in de uitkomsten. Dit fenomeen wordt aangeduid met de term methodebreuken. Om de continuïteit en vergelijkbaarheid van de belangrijkste variabelen zoals slachtofferschap en onveiligheidsgevoelens zo goed mogelijk te waarborgen, is in 2012 parallel aan de ‘nieuwe’ VM nogmaals de ‘oude’ IVM met een steekproefomvang van circa 6.000 personen uitgevoerd. Om dezelfde reden is in 2008, 2009 en 2010 parallel aan de toen ‘nieuwe’ IVM de ‘oude’ VMR in een beperkte omvang uitgevoerd.

Door de parallelle uitvoering van de oude en nieuwe ontwerpen is het mogelijk om de verschillen in uitkomsten te kwantificeren, en daarmee via omrekenfactoren correcties toe te passen op de VMR- en IVM-cijfers om ze naar het VM-niveau te brengen. Op die manier worden uitkomsten van de VMR en IVM vergelijkbaar met die van de VM (zie ook onderzoeksverantwoording Veiligheidsmonitor 2017).

Samenwerkende partijen