Berechting in eerste aanleg van minderjarige verdachten

In 2017 werden er in totaal 5.300 straffen tegen minderjarigen opgelegd. De taakstraf was in 2017 de meest opgelegde straf. Het aantal jeugddetenties tegen minderjarigen is in de periode 2007-2017 met 77% afgenomen (naar 940 in 2017) en het aantal taakstraffen met 62% (naar 4.100 in 2017).

Auteurs: M.E. Vink en S.W. van den Braak

Laatst bijgewerkt: 15 oktober 2018.

In de periode 2007-2017 is het aantal door de rechter afgedane misdrijfzaken tegen minderjarigen met 59% gedaald tot 5.500 in 2017 (zie tabel 6.12 bij Berechting). Ten opzichte van 2016 is dit aantal ongeveer gelijk gebleven (-1%). Het aandeel meisjes daalde van 14% in 2007 naar 12% in 2017 (zie tabel 6.1 bij Berechting).

Afgedane zaken bij minderjarigen naar misdrijftype

De misdrijfzaken die de rechter in 2017 in eerste aanleg afhandelde, hadden hoofd-zakelijk betrekking op vermogensmisdrijven (45%), vernielingen en misdrijven tegen openbare orde en gezag (21%) en gewelds- en seksuele misdrijven (22%). Ter vergelijking: in 2007 was 42% van de misdrijfzaken een vermogensmisdrijf, 27% een vernieling of misdrijf tegen openbare orde en gezag en 22% een gewelds- of seksueel misdrijf. In totaal werden 2.500 vermogensmisdrijven in 2017 afgedaan, tegenover 5.700 in 2007.

Soort uitspraak en sancties

Het percentage schuldigverklaringen is afgenomen van 92% in 2007 naar 87% in 2017. In 12% van alle afgedane misdrijfzaken kwam de rechter tot vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging. In 2007 was dit nog 7% (zie tabel 6.13 bij Berechting).

Het percentage schuldigverklaringen zonder strafoplegging is gestegen van 2% in 2007 tot 5% in 2017. Toch worden er bij de meeste schuldigverklaringen wel één of meerdere sancties opgelegd (zie tabel 6.13 bij Berechting). In 2017 werd bij 89% van de schuldigverklaringen met strafoplegging een enkelvoudige hoofdstraf (vrijheidsstraf of jeugddetentie, geldboete, of taakstraf) opgelegd (dit was 78% in 2007). Bij 10% werd een combinatie van hoofdstraffen opgelegd (dit was 20% in 2007). In de meeste gevallen ging het hierbij om een combinatie van een vrijheidsstraf of jeugddetentie en een taakstraf (zie tabel 6.16 bij Berechting).

Het totale aantal opgelegde straffen daalde in de periode 2007-2017 met 66% tot 5.300 (zie tabel 6.16 bij Berechting). Het aantal jeugddetenties nam met 77% af naar 940 in 2017. In dat jaar legde de rechter 4.100 taakstraffen (leer- of werkstraffen) op, een daling van 62% vergeleken met 2007. Daarmee was in 2017 77% van alle straffen tegen minderjarigen een taakstraf en 17% een jeugddetentie. Geldboetes worden weinig opgelegd: in 2017 in totaal 175 keer. Dit was 3% van alle opgelegde straffen aan minderjarigen (zie tabel 6.16 bij Berechting).

Van de opgelegde jeugddetenties was in 2017 bijna een kwart geheel voorwaardelijk (24%) en was ruim drie kwart (deels) onvoorwaardelijk (76%). Het aantal (deels) onvoorwaardelijke jeugddetenties is afgenomen tot 640 (zie tabel 6.16 en 6.17 bij Berechting). In 2017 werd 67% van al deze (deels) onvoorwaardelijke jeugddetenties opgelegd voor vermogensmisdrijven en 20% voor gewelds- en seksuele misdrijven. In de periode 2007-2017 nam het aandeel (deels) onvoorwaardelijke jeugddetenties voor vermogensmisdrijven toe van 63% naar 67%, waaronder voor diefstal of inbraak met geweld van 29% naar 34%. Het aandeel (deels) onvoorwaardelijke jeugddetenties voor vernielingen en misdrijven tegen de openbare orde en gezag nam in de periode 2007-2017 af van 12% naar 8%. Binnen deze categorie is vooral een daling te zien bij openlijk geweld: van 8% naar 3% (zie tabel 6.17 bij Berechting).

Meer dan de helft (59%) van de opgelegde (deels) onvoorwaardelijke jeugddetenties had in 2017 een strafduur van minder dan twee maanden; 9% duurde zes maanden of langer (zie tabel 6.18 bij Berechting). Het totale aantal detentiejaren lag op 120 jaren en de gemiddelde detentieduur lag op tachtig dagen in 2017 (zie tabel 6.21 en 6.22 bij Berechting).

De meeste van de 115 (deels) onvoorwaardelijke geldboetes werden in 2016 opgelegd voor vermogens- (35%) en verkeersmisdrijven (26%) (zie tabel 6.20 bij Berechting).
De boetebedragen in misdrijfzaken tegen minderjarigen liggen beduidend lager dan in misdrijfzaken tegen alle verdachten. In 2017 lag 65% van de boetebedragen lager dan €200 (zie tabel 6.18 bij Berechting).

De taakstraf (leer- of werkstraf) was in 2017 de meest opgelegde straf (77% van alle straffen). In 2007 lag dit iets lager (69%). In 2017 had van de 3.000 door de rechter opgelegde (deels) onvoorwaardelijke taakstraffen 71% een duur korter dan 41 uur. Het aandeel langdurige taakstraffen (langer dan 120 uur) lag op 3% (zie tabel 6.18 bij Berechting). Van de zaken waarin in 2017 een taakstraf (een leer- of werkstraf, of een combinatie daarvan) werd opgelegd, was in bijna de helft (47%) sprake van een vermogensmisdrijf (zie tabel 6.19 bij Berechting[1]).

Het aantal opgelegde bijkomende straffen aan minderjarigen is in 2017 ruim 100 (zie tabel 6.16 bij Berechting). De meest voorkomende maatregel was in 2017 de schadevergoeding (1.400). De maatregel ‘plaatsing in een inrichting voor jeugdigen’ (de PIJ-maatregel) wordt sinds 2007 steeds minder vaak toegepast, in 2007 was dit 205 keer en in 2017 50 keer (zie tabel 6.16 bij Berechitng).

[1] In deze tabel worden zaken geteld, geen straffen. Zaken waarin zowel een leer- als werkstraf is opgelegd, worden hierin maar één keer geteld. Daarom komt het totale aantal taakstraffen in deze tabel iets lager uit dan in tabel 6.18 bij Berechting.

Bron: Criminaliteit en rechtshandhaving 2016, hoofdstuk 6 Berechting

Tabellen bij Berechting

Bronnen en methoden bij Vervolging en berechting

Standaardclassificatie Misdrijven

Samenwerkende partijen